Skip to main content

Wet open Overheid: verplichting of kans?

adviseur-paul-deurvorst-pblq

Paul Deurvorst

Adviseur

0653469662

Op 1 mei is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Een initiatiefwet met als doel meer overheidsinformatie openbaar te maken. Meest in het oog springend is de plicht om – gefaseerd – 11 informatiecategorieën actief openbaar te maken. Daarnaast gaat de huidige Wet openbaarheid van bestuur (Wob) over in de Woo en worden termijnen en uitzonderingsgronden aangescherpt.
Is dit de zoveelste verplichting voor overheden die overheidsorganisaties dwingt tot verandering? Leidt dit inherent tot extra investeringen en uitvoeringskosten? Terwijl overheden het al zo druk hebben met de invoering van de Omgevingswet en tal van andere wetten. Om niet te spreken over de vele maatschappelijke uitdagingen zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, stikstof problematiek, wooncrisis en opvang van vluchtelingen.

De kans bestaat dat de Woo bij veel organisaties belandt op de lijst van ‘moetjes’ en bij gebrek aan middelen en bestuurlijke aandacht uiteindelijk zal verzanden in uitvoeringsproblemen. Dat leidt af van het doel van de Woo en het achterliggende fundamentelere probleem: de informatiehuishouding van de overheid. Hier ligt echter een grote kans. Die informatiehuishouding is immers het fundament bij het maken van keuzes in het handelen van de overheid en het afleggen van verantwoording.
De afgelopen decennia is door digitalisering en afbouw van de traditionele – op papier gerichte – archief- en DIV-functies, de toegankelijkheid van overheidsinformatie sterk afgenomen. Paradoxaal is de hoeveelheid overheidsinformatie geëxplodeerd, maar wordt het vinden van de juiste informatie steeds moeilijker. Informatie is verspreid opgeslagen in soms slecht toegankelijke systemen of (persoonlijke) netwerkdirectories en mailboxen. Dit belemmert niet alleen het afhandelen van Wob- (en straks Woo-) verzoeken, maar ook het zoeken naar relevante informatie door ambtenaren zelf.

De initiatiefnemers van de Woo hebben dat onderkend en daarom – in lijn met wat reeds in Archiefwet staat – een zorgplicht opgenomen. Overheden moeten maatregelen treffen om documenten die ze ontvangen of vervaardigen in ‘goed, geordende en toegankelijke staat’ te houden.

Hiermee is de Woo een middel om de verwaarloosde informatiehuishouding op orde te brengen. Maar dit kan ook gezien worden als een verplichting, in de trant van ‘we hebben ons huis een tijdlang niet onderhouden en we gaan nu een plan opstellen’. Dit is wat de rijksoverheid doet met het meerjarenplan ‘Open op Orde’, opgesteld naar aanleiding van de toeslagenaffaire.
In onze adviespraktijk zien we als PBLQ dat overheden een stap verder kunnen gaan door verplichtingen te koppelen aan maatschappelijke uitdagingen. Uitdagingen waarbij het vertrouwen van burgers in de overheid centraal staat. Vertrouwen dat nodig is omdat de komende jaren tal van (pijnlijke) keuzes gemaakt moeten worden. Niet dat het openbaar maken van documenten nu meteen leidt tot meer vertrouwen in de overheid. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat dat niet het geval is. Maar de burgers en samenleving in een vroegtijdig stadium meenemen in beleids- en planvorming kan wel helpen om het vertrouwen niet verder te laten dalen. Dat vereist een fundamenteel andere opzet van dossiervorming.

Door vroegtijdig beleidsalternatieven, afwegingen, onderliggende data, etc. te delen wordt de samenleving meer betrokken bij de uiteindelijke keuzes. Overheden zullen zich daarom steeds meer de vraag moeten durven stellen welke informatie wanneer openbaar moet worden gemaakt. Met als motto, van informeren achteraf naar betrekken vooraf.

De uitdaging daarbij is om die informatie goed te doseren en toe te snijden op doelgroepen. De burger is immers niet gebaat met grote hoeveelheden documenten in ambtelijk jargon, maar wil zinvolle en begrijpelijke informatie, waar nodig voorzien van toelichting. Anderen, zoals direct belanghebbenden, wetenschappers, journalisten en politici zullen meer oog hebben voor de precieze formuleringen van beleid, plannen en besluiten.

Op deze wijze verandert de Woo van een verplichting in een kans voor overheden om hun taken effectiever uit te voeren. En dat is weer in lijn met de bepaling die in de Woo is opgenomen om – uit eigen beweging – zoveel mogelijk informatie openbaar te maken. Overheden hebben daarmee ook de vrijheid om keuzes te maken en prioriteiten te stellen bij de implementatie van Woo. En dat rechtvaardigt aandacht voor de Woo op bestuurlijk niveau.

Op 1 mei is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Een initiatiefwet met als doel meer overheidsinformatie openbaar te maken. Meest in het oog springend is de plicht om – gefaseerd – 11 informatiecategorieën actief openbaar te maken. Daarnaast gaat de huidige Wet openbaarheid van bestuur (Wob) over in de Woo en worden termijnen en uitzonderingsgronden aangescherpt.
Is dit de zoveelste verplichting voor overheden die overheidsorganisaties dwingt tot verandering? Leidt dit inherent tot extra investeringen en uitvoeringskosten? Terwijl overheden het al zo druk hebben met de invoering van de Omgevingswet en tal van andere wetten. Om niet te spreken over de vele maatschappelijke uitdagingen zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, stikstof problematiek, wooncrisis en opvang van vluchtelingen.

De kans bestaat dat de Woo bij veel organisaties belandt op de lijst van ‘moetjes’ en bij gebrek aan middelen en bestuurlijke aandacht uiteindelijk zal verzanden in uitvoeringsproblemen. Dat leidt af van het doel van de Woo en het achterliggende fundamentelere probleem: de informatiehuishouding van de overheid. Hier ligt echter een grote kans. Die informatiehuishouding is immers het fundament bij het maken van keuzes in het handelen van de overheid en het afleggen van verantwoording.
De afgelopen decennia is door digitalisering en afbouw van de traditionele – op papier gerichte – archief- en DIV-functies, de toegankelijkheid van overheidsinformatie sterk afgenomen. Paradoxaal is de hoeveelheid overheidsinformatie geëxplodeerd, maar wordt het vinden van de juiste informatie steeds moeilijker. Informatie is verspreid opgeslagen in soms slecht toegankelijke systemen of (persoonlijke) netwerkdirectories en mailboxen. Dit belemmert niet alleen het afhandelen van Wob- (en straks Woo-) verzoeken, maar ook het zoeken naar relevante informatie door ambtenaren zelf.

De initiatiefnemers van de Woo hebben dat onderkend en daarom – in lijn met wat reeds in Archiefwet staat – een zorgplicht opgenomen. Overheden moeten maatregelen treffen om documenten die ze ontvangen of vervaardigen in ‘goed, geordende en toegankelijke staat’ te houden.

Hiermee is de Woo een middel om de verwaarloosde informatiehuishouding op orde te brengen. Maar dit kan ook gezien worden als een verplichting, in de trant van ‘we hebben ons huis een tijdlang niet onderhouden en we gaan nu een plan opstellen’. Dit is wat de rijksoverheid doet met het meerjarenplan ‘Open op Orde’, opgesteld naar aanleiding van de toeslagenaffaire.
In onze adviespraktijk zien we als PBLQ dat overheden een stap verder kunnen gaan door verplichtingen te koppelen aan maatschappelijke uitdagingen. Uitdagingen waarbij het vertrouwen van burgers in de overheid centraal staat. Vertrouwen dat nodig is omdat de komende jaren tal van (pijnlijke) keuzes gemaakt moeten worden. Niet dat het openbaar maken van documenten nu meteen leidt tot meer vertrouwen in de overheid. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat dat niet het geval is. Maar de burgers en samenleving in een vroegtijdig stadium meenemen in beleids- en planvorming kan wel helpen om het vertrouwen niet verder te laten dalen. Dat vereist een fundamenteel andere opzet van dossiervorming.

Door vroegtijdig beleidsalternatieven, afwegingen, onderliggende data, etc. te delen wordt de samenleving meer betrokken bij de uiteindelijke keuzes. Overheden zullen zich daarom steeds meer de vraag moeten durven stellen welke informatie wanneer openbaar moet worden gemaakt. Met als motto, van informeren achteraf naar betrekken vooraf.

De uitdaging daarbij is om die informatie goed te doseren en toe te snijden op doelgroepen. De burger is immers niet gebaat met grote hoeveelheden documenten in ambtelijk jargon, maar wil zinvolle en begrijpelijke informatie, waar nodig voorzien van toelichting. Anderen, zoals direct belanghebbenden, wetenschappers, journalisten en politici zullen meer oog hebben voor de precieze formuleringen van beleid, plannen en besluiten.

Op deze wijze verandert de Woo van een verplichting in een kans voor overheden om hun taken effectiever uit te voeren. En dat is weer in lijn met de bepaling die in de Woo is opgenomen om – uit eigen beweging – zoveel mogelijk informatie openbaar te maken. Overheden hebben daarmee ook de vrijheid om keuzes te maken en prioriteiten te stellen bij de implementatie van Woo. En dat rechtvaardigt aandacht voor de Woo op bestuurlijk niveau.

PUBLICATIES